De grenzen van het Graafschap Holland  (1300-1795) met zijn latere ontwikkeling en "onze" hollandse waterlinies

 

Originele titel: Korte geschiedenis van de grenzen van de provincie Zuid-Holland

 

drs. J. L van der Gouw

 

De site www.DE WATERLINIE ROUTE houdt zich niet alleen bezig met de waterlinieroute zelf, maar tracht ook voor de bezoeker aan de site randinformatie te verstrekken. Het artikel van drs van der Gouw beschrijft de landsgrenzen van het Graafschap Holland, maar ook de latere ontwikkelingen van deze grenzen. Het is opvallend hoe ontstaan en de ontwikkeling van deze grenzen samenvallen met de Oude en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het is een "lijvig" stuk, maar zeer boeiend om een stukje geschiedenis tot leven te zien komen.

Om het artikel niet te kort te doen, hebben wij het in al zijn compleetheid weer gegeven.

West-Friesland

Raadpleegt men de koninklijke schenkingsoorkonden, zoals die van Otto III (985), dan moeten zowel de graaf van Holland als de bisschop van Utrecht in West-Friesland oude rechten hebben. Bekend is hoe eeuwenlang de onderwerping van de Westfriezen een telkens terugkerende taak van de Hollandse graven is geweest. Eerst Floris V bracht in 1289 dit weerbarstig volk definitief tot onderwerping, geholpen door een overstroming, die in de winter van 1287 / 1288 de Zuiderzee deed ontstaan. Ook Texel en Wieringen hebben Floris V als hun heer erkend.

Sedertdien heeft Floris een drievoudige titel gevoerd: graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland. Anders echter dan Zeeland, dat ten zuiden van Holland een afzonderlijk graafschap is gebleven, is West-Friesland in het graafschap opgegaan, zij het ook dat de provincie tot 1795 de gecombineerde naam Holland en West-Friesland heeft gedragen. Het grondgebied van de graven van Holland breidde zich hier in het noorden nog over Vlieland en Terschelling uit. Laatstgenoemd eiland werd tegen het einde van de veertiende eeuw door hertog Albrecht verworven.

Waterland

In Waterland en de Zeevang hadden de heren van Persijn een onafhankelijke heerlijkheid opgebouwd; het moet onzeker blijven of dat plaats vond in niemandsland of ten nadele van het bisdom. In de verwarring, die ontstond na de hierboven verhaalde algemene volksopstand van 1274 wist Jan van Persijn tenslotte niet beter te doen dan in 1282 zijn rechten aan Floris V te verkopen. De halve opbrengst van de domeinen van Waterland bleef een leen van zijn nazaten tot de dood van Nicolaas van Persijn in 1409. Bij Waterland en de Zeevang hoorde het eiland Marken. Later blijken de graven uit het Henegouwse huis ook een zeker gezag te hebben over Urk en Emmeloord (dat is het noordelijk deel van Schokland), maar hoe zij dat verworven hebben is onzeker.

Amstelland

De schout van Amstel was oorspronkelijk een dienstman van de bisschop van Utrecht. Het geslacht Van Amstel wist zich op te werken tot vrijwel onafhankelijk heer van de Amstelstreek en trachtte soms met succes ook elders vaste voet te krijgen: Indijk en Tekkoop in het land van Woerden, IJsselstein in de Lopikerwaard. In de Amstelstreek is Waveren c.a. de laatste aanwinst, in 1268 door Otto van Amstel van het kapittel van St. Marie te Utrecht verworven. Het puntige uitsteeksel van (Noord-)Holland in Utrecht, dat bij de Wet van 19 mei 1819, Staatsblad 30, weer naar Utrecht overging, is hiermede verklaard.

In 1285 kwam aan Amstels glorie een einde. Gijsbrecht was verplicht zijn goederen van Floris V in leen te ontvangen en van zijn rechten in Gooiland afstand te doen. Na de moord op graaf Floris werd het bezit van de Van Amstels verbeurd verklaard.

Gooiland

Het Naardingerland was in 968 door keizer Otto I aan de abdis van Elten geschonken. In 1280 gaf de abdis dit moeilijk te beheren bezit met de hoge heerlijkheid in erfpacht aan Floris V. Tot de opheffing van de abdij in 1806 is de erfpacht van 25 pond betaald. In 1300 schonk graaf Jan II het vruchtgebruik van Gooiland, Amstelland en Woerden aan zijn broer Guy van Henegouwen, die in 1301 bisschop van Utrecht werd. In deze tijd moeten Muiden en Weesp, reeds in 1225 in leen aan Amstel, maar later weer tijdelijk aan de bisschop, definitief bij Amstelland zijn ingelijfd. Na de dood van bisschop Guy in 1317 vielen Amstelland en Gooiland weer terug aan de grafelijkheid van Holland en zijn nooit meer in leen uitgegeven.

De westgrens van het Gooiland werd bepaald door de reeds bestaande in elkaar grijpende ontginningen langs de Vecht. De hinderlijkste ingewikkeldheden in deze grens tussen Utrecht en (Noord-)Holland zijn opgeruimd bij de Wet van 19 mei 1819, Staatsblad 30, waarbij Hollands Loenen, Oud- en Nieuw Loosdrecht en Waverveen overgingen naar Utrecht, terwijl Ankeveen, Kortenhoef, Nederhorst den Berg, Thamen en Uithoorn deel gingen uitmaken van (Noord-)Holland. De overige grenzen zijn bijna geheel samengesteld uit rechte lijnen getrokken door veenlanden, die tot ver in de 16e eeuw grensgeschillen hebben opgeleverd. Het langst heeft de onzekerheid bestaan in het gebied van de Vuurse, waar de bij een conventie van 14 juli 1719 afgepaalde Hollandse Rading de tegenwoordige provinciegrens tussen Noord-Holland en Utrecht is geworden.

De proosdij van Sint Jan

Ten zuiden van Amstelland ligt de uitgestrekte proosdij van Sint Jan met de dorpen Mijdrecht en Wilnis, volgens een betwiste oorkonde in 1085 als wildernis door het kapittel van Sint Jan verworven. Amstel, Waver, Angstel en Kromme Mijdrecht vormen hier een cirkel, van waaruit men naar binnen en naar buiten heeft ontgonnen. Door deze ontginningsactiviteit, die in de twaalfde eeuw al in volle gang geweest moet zijn, is het topografische beeld bepaald. Hier is een hoek van de provincie, waar door de vervening de grens voortdurend zoek raakt. In de jaren 1159 / 1169 moet de aartsbisschop van Keulen al bepalen, dat de grens tussen Holland en Utrecht bij Kalslagen door zes beëdigde mannen van elke partij moet worden vastgesteld. In 1254 en 1264 is het abt van Sint Truiden die uitspraken doet en als in de achttiende eeuw hier in de stadsheerlijkheden van Haarlem, Kalslagen, Zevenhoven, Noorden, Nieuwveen veenplassen worden drooggemaakt, is de grens alweer zoek. De ingewikkelde grens werd sterk vereenvoudigd bij Staatsbesluit van 21 december 1805: zij liep toen van de Oude Rijn bij Bodegraven over de landscheiding achter langs Nieuwkoop, Zevenhoven en Nieuwveen naar de Drecht. De Grondwet van 1814 herstelde de oude toestand, totdat bij de Wet van 19 mei 1819, Staatsblad 30, de onregelmatige uitlopers van de Proosdij-ontginning over de Drecht en de Amstel van Utrecht naar (Noord-) Holland zijn overgegaan. De gebieden over de Kromme Mijdrecht (Blokland c.a.) bleven toen Utrechts.


De Proosdijlanden langs de grens van Holland 1665. Rijksarchief Utrecht, Topografische Atlas nr. 185.



Het land van Woerden

Woerden is een heerlijkheid opgebouwd door een geslacht van dienstmannen van de bisschoppen van Utrecht, die belast waren met het beheer van een grensvesting en die door hun positie ook het beheer konden verwerven over de omliggende ontginningen. Tijdens Floris V hadden de heren van Woerden ook reeds hun begerige ogen laten vallen op verder gelegen contreien: de zogenaamde Woerdense Omloop (Kamerik en Zegveld) en Custwijk (Lange Ruige Weide c.a.), maar de belangen van de kapittelen, aan wie Hendrik van Vianden (overleden in 1267) deze goederen had vermaakt, verzetten zich hier tegen annexatie. Woerden was reeds in 1281 met de ertoe behorende rechten op Bodegraven door de bisschop aan Floris V verpand. Weldra moest Herman van Woerden leenman van Holland worden. Op dezelfde wijze als de goederen van de Amstels vervielen die van Van Woerden na 1296 aan de grafelijkheid van Holland en waren nog tot 1317 in beheer bij bisschop Guy van Henegouwen.

Van ouds zat in het noordoosten aan het land van Woerden een vreemd uitsteeksel: Indijk en Tekkoop. Het is een ontginning van Amstel. Ook nadat het Amstelland bij Holland was gevoegd, bleven Indijk en Tekkoop met Loosdrecht en Mijnden nog eeuwenlang onder Amstelland ressorteren. Bij de Wet van 27 april 1820, Staatsblad 13, werden deze polders naar Utrecht overgebracht.

De zonderlinge grens van Zuid-Holland en Utrecht tussen de Oude Rijn en de Hollandse lJssel is dus een gevolg van het feit, dat de heren van Woerden het gebied van Lange Ruige Weide niet meer hebben kunnen verwerven. De van Hollandse zijde geoccupeerde gebieden tussen Gouda en Bodegraven waren omstreeks 1300 al onbestreden bezit. De onderlinge afhankelijkheid ten aanzien van de afwatering veroorzaakte tot in de zestiende eeuw oorlogstemmingen. Eerst toen Karel V ook heer van Utrecht was geworden kwam daar een eind aan. Het gezag van het Grootwaterschap van Woerden over de ter weerzijde van de grens van twee gewesten gelegen polders werd toen geleidelijk versterkt.

Bij Staatsbesluit van 21 december 1805 werd de gewestelijke grens tussen Holland en Utrecht gelegd van Haastrecht door de IJssel, ten oosten van Gouda noordwaarts langs de zogenaamde Vaarweg naar de Rijn ten oosten van Bodegraven. Reeds bij koninklijk decreet van 30 maart 1808 werd hier de grens weer verlegd en wel naar de Dubbele Wierikke, van Goejanverwellesluis naar Nieuwerbrug. De oude grens van Holland gold weer van 1814 tot 1820. Bij de Wet van 27 april 1820, Staatsblad 13, werd de tegenwoordige grens in dit gebied vastgesteld. Lange Ruige Weide en Papekop c.a. kwamen toen bij (Zuid-) Holland. De Noord- en Zuidzijde van Linschoten met Snellerwaard gingen over naar Utrecht.

Langs de IJssel

Gouda, ongetwijfeld op Utrechts territoir gesticht, zweefde lang tussen Holland en Utrecht als een onafhankelijke heerlijkheid. De erfdochter, Sophia van der Goude, stond jarenlang onder de voogdij van Nicolaas van Cats, een steunpilaar van de politiek van Floris V, aan wie zowel Gouda als Schoonhoven hun stadsrechten te danken hebben. Sophia huwde circa 1280 met Jan van Renesse. Door hun houding tijdens de inval van de Vlamingen in 1302 verloren de geslachten Renesse en Cats hun rechten op Gouda en Schoonhoven. Dit gehele gebied was daarna tot 1356 een apanage voor Jan van Beaumont, een jongere broer van graaf Willem III en diens erfgenamen uit het geslacht Van Blois. Na het uitsterven van dit geslacht in 1397 werden de steden Gouda en Schoonhoven met het gebied langs de Vlist als baljuwschap Van Blois definitief een nooit meer vervreemd onderdeel van Holland.

 

Margaretha, dochter van Jan van Renesse en Sophia van der Goude huwde met een Limburgs edelman, die voor het noordelijk deel van het uitgestrekte gebied van Haastrecht de naam Stein meebracht. Dit land kwam door koop ook aan Blois. Van de rechten van het kapittel van Oudmunster, dus van Utrecht, trok niemand zich meer wat aan. In 1529 kocht Karel V die rechten af om van de verwikkelingen af te zijn, maar het blijft onduidelijk of hij dat deed als heer van Utrecht of als graaf van Holland. Al spoedig wordt de heerlijkheid van Stein in leen uitgegeven aan de stad Gouda en daarmede is alle twijfel opgeheven.

Haastrecht (het deel ten zuiden van de IJssel) is eveneens een gebied, dat op niet geheel regelmatige wijze aan Holland is gekomen. Reeds in 1290 droeg Herbaren van Haastrecht uit het geslacht Van Arkel zijn eigen goed, het huis te Haastrecht met het bijbehorende land, op aan Floris V om het in leen terug te ontvangen.

De rechten van Herbaren kwamen aan zijn verwant Jan van der Leede, die ze op dezelfde wijze verloor als Van Renesse en Van Cats. Daarna kwam ook Haastrecht aan Jan van Beaumont. Maar de Van Arkels keren terug. Nog in 1390 hield Otto van Arkel de heerlijkheid van Haastrecht, dus het publiek gezag, in leen van de proost van Oudmunster. Na afloop van de Arkelse oorlog in 1405 kon de bisschop naar waarheid verklaren dat Haastrecht tot Utrecht behoorde. Bij de vrede van Wijk bij Duurstede in 1412 kwamen vrijwel alle Arkelse lenen rechtstreeks onder Holland. Alleen Hagestein en Haastrecht niet. Het laatste werd een leen voor de oude Jan van Arkel. Na de definitieve ondergang van het geslacht Van Arkel kwam Haastrecht rechtstreeks onder Holland. Nog in 1552 was er geschil over de vraag of Haastrecht tot het baljuwschap Van Blois behoorde of niet.

Oudewater, het middelpunt van de ontginningsstroken Hekendorp en Snellerwaard, was een Utrechtse grensvesting. Tijdens de hiervoor geschetste verwikkelingen werden in 1281 door de elect Jan de ambachten Bodegraven, Waarder en Oudewater aan Floris V verpand. De panden werden nimmer afgelost. Na de moord op Floris V vielen met het slot van Woerden en de stad Oudewater de kerspelen Woerden, Oudewater, Bodegraven en Waarder toe aan degraaf van Holland, die ze eeuwenlang als een afzonderlijk baljuwschap van Woerden heeft doen besturen. Het land is meermalen als apanage afgezonderd en het is dus geen wonder, dat de burgers van Oudewater zich in 1346 en nog eens in 1405 door een grafélijk charter de zekerheid hebben verschaft, dat hun stad niet van Holland zou worden vervreemd.

Een zeer bijzonder grensgeschil heeft meer dan een eeuw gehangen tussen Holland en Utrecht over IJsselvere, een langgerekte strook uiterwaard langs de IJssel tegenover Oudewater. Het accijnsvrij tappen aldaar aan de burgers van Oudewater was in 1492 de aanleiding tot een geschil, dat na vele instanties in 1562 eindigde met een uitspraak van de Grote Raad van Mechelen, waarbij - overigens lijnrecht in strijd met het nu beschikbare bewijsmateriaal - werd verklaard, dat IJsselvere territoir van Holland was. Bij gelegenheid van een uitbreiding van de vestingwerken in 1585 werd krachtens een octrooi van de Staten van Holland het middelste deel van IJsselvere bij het stadsgebied van Oudewater ingelijfd. De twee overschietende delen schijnen met Snellerwaard tot één gerecht verenigd te zijn. Bij de Wet van 27 april 1820, Staatsblad 13, werden zij bij Hoenkoop gevoegd, dus weer Utrechts.

Tussen IJssel en Lek

De Vlist werd in de dertiende eeuw door de heren Van der Leede behorende tot de Arkelclan in erfpacht gehouden van het kapittel van Sint Marie. Het was een onderdeel van de machtspositie, die dat geslacht, waarvan de leden onder allerlei namen (Botter, De Monte, Samson) verschijnen, zich in de wildernissen tussen Holland, Utrecht en Gelre door met hoogheidsrechten betaalde geldschieterij had opgebouwd. Tussen IJssel en Lek zaten deze heren in Haastrecht, Vlist, Bonrepas, Bergambacht, Schoonhoven, Stolwijk, Zuid-Polsbroek, Zevender en Cabauw. Nadat in 1280 de erfpacht van de Vlist aan de reeds hiervoor genoemde Nicolaas van Cats is overgegaan, deelt deze streek de politieke lotgevallen van Schoonhoven. Daar moet reeds voor 1247 Jan van der Leede van Haastrecht een kasteel hebben gebouwd. Zijn zoon Hugo Botter heeft waarschijnlijk door de Botersloot Schoonhoven verbonden met de Vlist. Na diens dood ca. 1279 doet zijn vrouw haar recht over aan Nicolaas van Cats, die moet worden beschouwd als de stichter van de stad Schoonhoven half op Utrechts, half op Hollands territoir. Toen de rechten van Nicolaas van Cats de jonge in 1304 wegens landverraad aan de graaf vervielen, verwierf deze ook de in 1280 door de oude Klaas gekochte hoge heerlijkheden van Cabauw en Zuid-Zevender. Noord-Zevender, oorspronkelijk een deel van Lopik, werd wel eeuwenlang aan dezelfde heren als die van Zuid-Zevender in leen uitgegeven, maar door Sint Marie, dat ook het gerecht van Lopik wist te behouden. Toch werd later het gehele gebied van Zevender tot Holland gerekend.

Het eveneens uit de Arkelse bezittingen afkomstige Zuid-Polsbroek kwam eerst aan het geslacht van Woerden van Vliet, in 1423 aan de burggraaf van Montfoort en na allerlei transacties in 1610 in handen van de Amsterdammer Jacob de Graeff. Of het toen een Hollands leen was wist niemand meer en Zuid-Polsbroek is tenslotte een allodiale hoge heerlijkheid gebleven. De heren Van Woerden van Vliet hadden toen al niet meer dan de Hollandse hoge heerlijkheid van Vliet. De kleine gebieden ten zuiden van Oudewater en Hoenkoop hadden zij verloren aan de burggraven van Montfoort. Deze heren na de verdrijving van Herman van Woerden in 1282 door Floris V geïnstalleerd, hebben eeuwenlang gestreefd naar het vestigen van een souvereine heerlijkheid. In de verwarde omstandigheden tijdens de eerste helft van de vijftiende eeuw scheen het te gaan lukken: ze verwierven Hekendorp en Snellerwaard van hertog Philips en de hoge heerlijkheid over hun Utrechtse ambachten van de bisschop in pand. Maar een extreem-Hoekse partijkeuze bracht de heren van Montfoort ten val. Hekendorp en Snellerwaard bleven toch Hollands, Zuid-Polsbroek moesten ze van de hand doen, en in 1546 werd het pandschap van het hooggerecht afgelost. In 1514 / 1515 was het nog een vraag geweest of Hoenkoop wel bij Utrecht hoorde. In 1648 kochten de Staten van Utrecht het burggraafschap van Montfoort van Ferdinand Philips vrijheer van Merode, die na de overdracht alles, wat hij nog aan ambachtsheerlijkheden binnen het burggraafschap bezat, als lenen van Utrecht verkocht. Alleen Blokland, dat in 1282 al een vrij eigen was, bleef een allodium.

In de dertiende eeuw zijn de Amstels heren van Benschop, Noord-Polsbroek en IJsselstein. De bouw van het slot IJsselstein in het gerecht Eiteren is de oorsprong van de latere baronie. De hoge en lage heerlijkheid van Benschop en Noord-Polsbroek zijn als Amstelse lenen aan de graaf van Holland vervallen. De leenheerlijke rechten van Otto van Cuyck, o.a. het hooggerecht van Ijsselstein en het dagelijks gerecht in Eiteren, worden in 1327 door de graaf gekocht. Een jongere linie van Van Amstel wist zich hier als Hollands leenman te handhaven. Door huwelijk kwam dit complex aan de Egmonds. Anna van Egmond, gravin van Buren, bracht IJsselstein door haar huwelijk met Willem van Oranje in 1551 in het familiegoed van de Oranjes. Of het waar is, dat Philips II de baronie van IJsselstein in 1556 als een souvereine heerlijkheid erkende, moet bij gebreke van een oorkonde in het midden worden gelaten. Zeker is, dat de rechtsmacht van het Hof van Holland zich niet meer over dit gebied uitstrekte en men betaalde, ondanks de protesten der Staten, niet in de Hollandse belastingen.

De vooraanstaande positie van enige heren onder de Bourgondisch-Oostenrijkse heerschappij maakte het ontstaan van zulke souvereine heerlijkheden mogelijk en de Republiek van de zeven Verenigde Nederlanden was ten aanzien van de rechtstoestand van heerlijkheden zo conservatief als men maar denken kan. Door tussenkomst van Prins Maurits kwam in 1585 een accoord tot stand inzake de bijdrage van IJsselstein in de kosten van de Generaliteit voor de oorlogvoering.

Jaarsveld en (Willige) Langerak behoren tot het familiebezit van het geslacht Uten Goye, dat ook ten zuiden van de Lek gevestigd was. Willige Langerak, soms verenigd met Langerak bezuiden de Lek, soms ervan gescheiden, bleef een Utrechts leen, maar van Jaarsveld ging de leenhoogheid van Utrecht verloren door de koop van de rechten van Otto van Cuyck in 1327 door graaf Willem III. Wij vinden er eerst Arkels en na de val van dit geslacht was Jaarsveld tot 1518 een leen van de heren van Vianen, die hun aanspraken deden steunen op hun afstamming uit het geslacht Uten Goye. Men mag aannemen dat het hooggerecht van Jaarsveld een Hollands leen en het laaggerecht een Utrechts leen was, maar het was niet naar de aard van de heren van Vianen zich daar veel van aan te trekken. In 1518 kwam Jaarsveld aan de Egmonds en evenals IJsselstein via Anna van Egmond aan de Oranjes. Prins Philips Willem verkocht in 1608 de heerlijkheid uit de boedel van zijn moeder aan een Amsterdams koopman en toen kon weer sprake zijn van een leenheer. In 1640 maakte de toenmalige heer een einde aan de geschillen over de leenhoogheid door zijn heerlijkheid onder het rechtsgebied van Holland te brengen. Protesten van Utrechtse zijde hebben hieraan niets meer veranderd.

De afzonderlijke lotgevallen van de langgerekte ambachten tussen IJssel en Lek verklaren, hoe ten oosten van de Vlist een grens tussen Holland en Utrecht ontstond, die zò ingewikkeld was, dat wij het ons nauwelijks meer kunnen voorstellen.

Enige vereenvoudiging kon eerst na 1795 tot stand worden gebracht. De omwenteling bracht IJsselstein allereerst tot Holland terug; de Staten van Holland vonden het nodig daaromtrent een uitdrukkelijk besluit te nemen. Van 1798 - 1801 hadden wij departementsgrenzen, die met de oude gewestelijke grenzen geen verband hadden. Van 1801 - 1805 bestond tussen IJssel en Lek weer de oude toestand.

Bij de Grondwet van 1805 kwam een sterke vereenvoudiging tot stand: IJsselstein c.a. en Jaarsveld gingen naar Utrecht. Bij een Staatsbesluit van 21 december 1805 ging men nog verder: Schoonhoven kwam bij Utrecht, de grens liep langs de Vlist tot ten oosten van Haastrecht. In 1814 werd de toestand van 1795 hersteld, maar door de in artikel 54 van de Grondwet opgenomen uitzonderingen kwam het tussen IJssel en Lek neer op het herstel van de door de Grondwet van 1805 geschapen toestand: IJsselstein c.a. en Jaarsveld bleven bij Utrecht. Bij de Wet van 27 april 1820, Staatsblad 13, werd tenslotte de tegenwoordige grenslijn tussen Zuid-Holland en Utrecht vastgesteld.

Tussen Lek en Linge

Aan de zuidzijde van de Lek komen wij in een groot aantal afzonderlijke gebieden, waar de bestuursrechten worden uitgeoefend door leden van het geslacht Uten Goye, dat waarschijnlijk zoals Van Cuyck binnen het bisdom een grafelijke positie heeft ingenomen. De afstammelingen verbergen zich voor ons achter de namen van sloten en heerlijkheden, die door huwelijk en erfenis op allerlei wijzen worden gecombineerd. Arkel is hier soms bondgenoot, soms rivaal. De zwakke band met Utrecht gaat hier grotendeels verloren. Als in de veertiende eeuw de bieraccijns als eerste Utrechtse landsbelasting wordt ingevoerd, wordt die ten Zuiden van de Lek niet betaald. Als het zo eens in de politiek te pas komt, dragen de heren hun goed op aan de graaf van Holland, maar ze blijven zo zorgvuldig op de wip tussen Holland en Utrecht zitten, dat het niet tot een blijvende band komt. Bij uitzondering is ook Utrecht wel eens de zwaarste: in 1599 onderwierp Gideon van Boetzelaar zich als heer van Langerak aan de souvereiniteit van de Staten van Utrecht.

Vianen, afgescheiden van de Utrechtse parochie Gasperden (= Hagestein), heeft al voor 1300 dezelfde heren als Lexmond. De veranderingen in de loop van de Lek maken hier de verhoudingen nog gecompliceerder: tot in de achttiende eeuw heeft Lexmond een enclave in de uiterwaarden van Jaarsveld. Door huwelijkspolitiek wordt Ameide en Tienhoven verworven. Sinds 1418 heersen hier de heren van Brederode, moeilijke mannen voor het hoger gezag. Ze beweerden in de zestiende eeuw in Vianen slechts God in de hemel boven zich te hebben en eigenlijk de rechtmatige erfgenamen van het Hollandse gravenhuis te zijn. De laatste bewering moesten ze terugnemen en de barensteel weer in hun, overigens geheel aan het Hollandse gelijke geslachtswapen plaatsen. Maar Vianen, waaronder toen behalve Ameide en Tienhoven ook Bolgerije, Autena, Lexmond, Achthoven, Hei- en Boeicop en Meerkerk vielen, bleef een souvereine heerlijkheid. Plakkaten van Karel V werden hier ongepubliceerd teruggestuurd. In 1684 vererfde Vianen op het geslacht Dohna en van deze op de graven Von der Lippe. In 1725 verkocht graaf Simon Hendrik Adolf de souvereine heerlijkheid van Vianen aan de Staten van Holland. Het land van Vianen bleef een afzonderlijke bestuurseenheid, tot het in 1795, niet zonder protest van de bevolking, een normaal deel van Holland werd.

Wat na de afsplitsing van Vianen van Hagestein was overgebleven, het eigenlijke Hagestein, kwam aan heren uit het geslacht van Arkel. Het werd in 1405, na de Arkelse oorlog, aan de bisschop van Utrecht toegewezen, nadat deze met zeven stolen zijn rechten had bezworen. Everdingen behoorde bij de dood van Elisabeth van Kuilenburg in 1555 al enige eeuwen tot het conglomeraat van oud-Utrechtse, later gedeeltelijk Hollandse en Gelderse lenen, dat toen toeviel aan Floris van Pallandt, die reeds in hetzelfde jaar tot graaf werd verheven. Van 1639 tot 1714 regeerde hier het geslacht Von Waldeck.

Het graafschap werd in 1720 uit een boedel gekocht door de staten van het kwartier van Nijmegen, die het in 1748 aanboden aan Prins Willem IV. Sedertdien is Kuilenburg c.a. een graafschap van de Oranjes, die uit het familiegoed van Egmond reeds de vrije baronie van IJsselstein en de graafschappen Buren en Leerdam bezaten. IJsselstein was gekomen van de Van Amstels door het huwelijk van Guyotte van Amstel met Jan van Egmond (overleden in 1369), Buren was als Gelders leen in 1472 door de Van Egmonds verworven en Leerdam was in 1405 uit de Arkelse goederen door de bisschop en de stad Utrecht aan de graaf van Holland gelaten. Over de vraag of Leerdam als leen Gelders of Hollands was, is lang gestreden; toen Frederik van Egmond in 1472 Leerdam en Schoonrewoerd definitief verwierf, was die vraag onbeslist. In 1498 werden Buren en Leerdam door koning Maximiliaan tot graafschappen verheven. De Staten van Holland hebben nooit berust in het feit, dat Leerdam niet meebetaalde in de Hollandse belastingen, maar hun protesten hebben evenmin succes gehad als ten aanzien van IJsselstein. Het boveneinde van Spijk was vanouds een achterleen van Leerdam. De baronie van Acquoy werd in 1513 door Floris van Egmond gekocht van Joost van Kruiningen en was dus later ook buiten elk territoriaal verband in het bezit van Oranje. Asperen en Heukelum waren Hollandse lenen geworden, toen na de val van het geslacht Van Arkel het gehele land van Arkel boven en beneden de Zouwe, dus zowel in de Alblasserwaard als in de Vijfheerenlanden, bij Holland werd ingelijfd.

Definitief geschiedde dat in 1412 bij de Vrede van Wijk bij Duurstede. Het bleef hier een afgezonderd hoekje van Holland, geschikt om met Voorne te dienen als apanage voor Elisabeth van Görlitz en Jacoba van Beieren, later nog eens met Gooiland en Putten voor Karel de Stoute, toen hij aan het hof van zijn vader te lastig werd. Dalem werd in 1423 uit de Arkelse goederen door de aangrenzende Gelderse belanghebbenden gekocht. Ze lieten in 1425 hertog Arnoud beloven Dalem nooit meer van Gelre te zullen scheiden. Hoewel nog eeuwen lang de hoogheidsrechten van Gelre op Dalem werden betwist, is toch door deze transactie de grens van Gelre vlak bij Gorinchem feitelijk bepaald.

De pogingen om hier enige vereenvoudiging te brengen beginnen in 1795 met de toevoeging van het graafschap Kuilenburg aan Gelderland en van het graafschap Leerdam aan Holland. Na de periode 1798 - 1801, toen de revolutionaire indeling in departementen van kracht was, verschijnt weer de oude grens van Holland en Gelre, maar men brengt dan Vianen c.a. tot Utrecht, zodat van Langerak tot en met Hagestein een gesloten Utrechts gebied ten zuiden van de Lek ontstaat (Grondwet artikel 2-1). In 1805 gaat deze gehele strook met Kuilenburg c.a. en gecombineerd met Beesd, Renooi, Mariënwaard, Vuren, Dalem, Herwijnen en Munnikenland naar Holland (artikel 10 van de Grondwet 1805 en het Staatsbesluit van 21 december 1805 nr. 1). Zo bleef het ook, toen (Zuid-) Holland departement Maasland en later Bouches de la Meuse heette.

De Grondwet van 1814 herstelde de grens van 1795 met dien verstande, dat Langerak, Vianen c.a. en Leerdam bij Holland bleven, Hagestein weer naar Utrecht en Kuilenburg met Everdingen weer naar Gelderland verhuisden. Het aan Leerdam hangende Acquoy werd in 1817 bij Koninklijk besluit (19 februari nr. 41) bij wijze van voorlopige maatregel onder Gelderland gebracht. Eerst bij de Wet van 27 april 1820, Staatsblad 12, kwam hier een radicale vereenvoudiging tot stand: de Diefdijk werd hier de provinciegrens. De brokkelige grenzen van Asperen, Heukelum en Spijk tegen het Gelders gebied, ongetwijfeld bepaald door van de Linge-oever uitgaande ontginningsarbeid, werd gecorrigeerd door de grens te leggen langs de rechtlijnige Nieuwe Zuider Lingedijk. Slechts onbewoond gebied met andere waterstaatkundige belangen ging hier over naar Gelderland. Bij Koninklijk besluit van 24 oktober 1822, no. 200, moest nog explicatie worden gegeven over enige kleinigheden in de grens tussen Holland en Gelderland voordat de tegenwoordige toestand geheel was vastgelegd.

 

Zegel van de Staten van Holland
en West-Friesland voor het
rechtsgebied Vianen en Ameide,
1725. Lakafdruk van zilveren
stempel in Kon. Penningkabinet

Ten Zuiden van de Merwede; de eilanden

Het land van Heusden is eeuwenlang een twistappel tussen Holland en Brabant geweest. Het was oorspronkelijk een leen van Brabant aan Kleef, dat door de heren van Heusden als achterleen werd gehouden. In 1357 wist graaf Willem V tegen een belofte van hulp in de opvolgingsstrijd tegen Vlaanderen stad en lande van Heusden van Wencelaus en Johanna van Brabant te verkrijgen. Philips van Bourgondië erkende in 1452 als hertog van Brabant zijn recht als graaf van Holland op Heusden.

Altena, vanouds een Kleefs leen, was sedert 1230 ten dele aan de graaf van Kleef, ten dele aan de graaf van Holland leenroerig. Graaf Willem III maakte in 1332 van gunstige omstandigheden gebruik om het leenheerschap van Altena te kopen; de grafelijke riviertol van Niemandsvriend (bij Sliedrecht) werd in 1354 als grenstol naar Woudrichern (en in 1420 naar Gorinchem) verplaatst. In de latere middeleeuwen waren de heren van Hoorne leenman van Altena, niet ongestoord en niet onbetwist. Van hun aanzienlijke positie in de Bourgondische Nederlanden trachtten zij gebruik te maken om Altena tot een souvereine heerlijkheid verheven te krijgen. Het schijnt, dat Philips II er wel oren naar had, maar de opstand kwam tussenbeide. De positie van de heren van Hoorne werd bij de splitsing tussen Noord- en Zuid-Nederland dubieus en de Staten van Holland maakten in 1590 van de gelegenheid gebruik om alle rechten van het geslacht Van Hoorne op Altena af te kopen.

Het gebied van de Langstraat vormde de zuidgrens van het oude Zuid-Holland (Noord-Holland is oorspronkelijk de naam van het gebied van Rijnland, Delfland en Schieland). Het was door de graven in een eeuwenlange afwisselende strijd op de Brabantse pretenties veroverd: in 1200 nam graaf Dirk VII het nog van hertog Hendrik I van Brabant in leen, in 1283 werd Floris V van die leenband ontslagen. De feitelijke grens werd hier in de venen bepaald door het droit d'occupation, dat een grillige lijn heeft geschapen, vastgelegd in talrijke veertiende- en vijftiende- eeuwse akten van paalscheiding. Geertruidenberg en de Zwaluwen, delen van het oude graafschap Strijen, waarvan ook de baronie van Breda afstamt, waren al in de dertiende eeuw Hollands bezit. Zevenbergen, in 1290 van de heerlijkheid Strijen afgescheiden, verviel in 1427 aan Philips van Bourgondië als graaf van Holland, wegens de steun door Gerrit van Strijen aan Jacoba van Beieren verleend. Niervaart (Klundert) reeds in 1361 bij boedelscheiding van Zevenbergen afgenomen, is in 1390 door Jan van Polanen aan Albrecht van Beieren als graaf van Holland opgedragen en weer in leen terugontvangen. Het geweld der stromen, vooral de Sint-Elizabethsvloed, vermocht hier wel de natuurlijke gesteldheid van het land te veranderen, maar niet de juridische status van wat boven water bleef: tot 1811 was Strijensas aan de zuidkant van de Hoekse Waard een deel van de heerlijkheid Klundert.

In het eilandengebied is de grens van de provincie bepaald door wat na de Sint-Elizabethsvloed nog boven water was en geleidelijk weer bedijkt kon worden van de oude heerlijkheden Voorne (= Voorne + Goeree en het westen van Flakkee) en Putten en Strijen (Putten, de westelijke helft van IJsselmonde; bijna de gehele Hoekse Waard en de oostelijke helft van Flakkee).

De heren van Putten en Strijen moesten na 1300 incidenteel het leenheerschap van de Hollandse graaf erkennen; zij zaten er moeilijk tussen, nadat in 1323 het recht van de Hollandse graven op Zeeland onherroepelijk door Vlaanderen was erkend. In 1456 kocht Philips van Bourgondië de opvolging in Putten en Strijen van Jacob van Gaesbeek, die in 1459 overleed. Het gebied was tot 1467 (met Arkel en Gooiland) een apanage voor Karel de Stoute.

De heerlijkheid van Voorne, die met meer recht dan Putten als oorspronkelijk tot Zeeland behorend beschouwd mag worden, verviel na het uitsterven van de burggraven van Voorne in 1371 aan de Hollandse graaf. Van 1394 tot 1425 behoorde het als erfdeel aan Jan van Beieren, de beruchte elect van Luik, tot 1432- aan diens weduwe. In 1433 werd Voorne toegewezen aan Jacoba van Beieren, die het schonk aan Frank van Borselen. In 1470 viel Voorne volgens accoord toe aan Karel de Stoute. Voorne en Putten zijn nooit helemaal in het graafschap Holland opgegaan: het bleven tot 1795 landjes met afwijkende instellingen en een eigen recht. De excentrische ligging en de bijzondere situatie op waterstaatkundig gebied maakten een grotere zelfstandigheid vanzelfsprekend.

De natuurlijke grens Nieuwe Merwede, Hollands Diep, Volkerak, Grevelingen, die in Zuid-Holland na de Sint-Elizabethsvloed was ontstaan, zou zich eerst na 1795 laten gelden. Reeds bij het Staatsbesluit van 21 december 1805 werd het gebied ten zuiden van het Oude Maasje (nu ongeveer de Bergse Maas) en het Hollands Diep bij Brabant gevoegd. Het verdrag tussen Napoleon en zijn broer Louis Napoleon, koning van Holland van 16 / 19 maart 1810 verplaatste de landsgrens naar de Boven-Merwede en de Nieuwe Merwede, zodat ook het land van Altena en de rest van het land van Heusden van Holland werden afgescheiden. De Grondwet van 1814 herstelde de oude provinciegrens, doch slechts voor korte duur. Reeds bij Souverein besluit van 29 juli 1814, Staatsblad 84, werd het Hollands Diep en het Oude Maasje weer de grens, die bij de Wet van 10 februari 1815, Staatsblad 14, definitief verlegd werd naar de Boven-Merwede en de Nieuwe Merwede.

In het eilandengebied zijn ook enkele grenscorrecties nodig geweest: Bommenede was in 1412 door de heren van Voorne aan Schouwen bedijkt. Als Voorns land kwam het bij Holland, maar in 1686 hebben de Staten van Holland er afstand van gedaan. Sommelsdijk was als gors in 1406 door de rentmeester van Zeeland Bewesterscheld als liggende in Zeeland verpacht. Toen Sommelsdijk was bedijkt en aangedijkt en met andere bedijkingen het eiland Overflakkee ging vormen, lag hier rijke stof voor geschillen, die nooit op de eenvoudigste wijze werden opgelost. Sommelsdijk kreeg zo zelfs een enclave in de heerlijkheid Stad. Eerst bij de Grondwet van 1805 ging Sommelsdijk over naar Holland. Latere wetten inzake de grens tussen Zuid-Holland en Zeeland (27 mei 1869, en 18 december 1876, Staatsblad 245) hebben slechts betrekking op de vraag waar de grenslijn in de stroom moet worden getrokken.

 

versie 6 maart 2001